Attenrode-Wever
Attenrode en Wever waren twee zeer kleine dorpen tot ze op 1 september 1825 werden samengevoegd (bij koninklijk besluit van Willem I). Van de voorgeschiedenis van deze gemeente is weinig bekend. Men heeft er resten gevonden van een Gallo-Romeinse pottenbakkerij.
Na 1105 kwam het gebied onder de graven van Leuven en het Hertogdom Brabant. De hogere rechtsmacht behoorde aan de hertogen van Brabant. De gemeenten behoorden tot de meierij van Halen. Deze meierij was ingedeeld in “ vorsterijen “.
Attenrode en Wever behoorden met Glabbeek, Zuurbemde, Kersbeek en Meensel tot
de “vorsterij van Nuwer Capellen” of “de eenighe van Capellen ” of “die voeghdie
van der Capellen “. Het gerecht, de schepenbank, zetelde te Kapellen.
De vorster was een domeinopzichter van de hertog. Misdrijven moest hij aan de
heer bekend maken en hij was meestal voorzitter van de schepenbank.
De vorsterij werd door de hertog in 1505 tot heerlijkheid verheven en verpand aan Zeger Claes van Amours. Ze behelsde de hoge, middelbare en lage justitie van de vermelde dorpen, Kersbeek uitgezonderd.
Op 15/9/1495 kwam het goed van Daelem in bezit van Jan van Houthem.
In mei 1550 kwam zijn bezit aan keizer Karel V. Zijn zoon, Filips II, had bestendig geldgebrek en richtte Attenrode en Wever op als zelfstandige heerlijkheid. Hij verpachtte ze voor 531 pond 14 shelling aan jonker Jan van Houthem, en er werd voor Attenrode en Wever een eigen schepenbank opgericht.
Jan van Houthem werd op 13/12/1571 gemachtigd “ een gemeinen schepensegel “ te doen maken. In 1624 verkocht een afstammelinge het goed aan Jan-Baptist Daneels. De heerlijkheid bleef tot aan de Franse Revolutie in het bezit van diens afstammelingen en erfgenamen. Dyonisius Vicca, een Spaanse generaal, richtte uit dankbaarheid voor een overwinning op één der legers van graaf Willem van Nassau, in 1572 of 1573, het kapelletje van de Heinkensberg op. Hij overleed te Attenrode in 1584.
In 1705 plunderden soldaten van de hertog van Marlborough het graan van de pastoor en inwoners van Attenrode en Wever.
Jan Van Goidsenhoven uit Wever diende twaalf jaar onder Napoleon. In 1830, tijdens de Belgische Revolutie, trok hij op aan het hoofd van vijfenveertig plaatselijke vrijwilligers. Samen met nog 290 man trokken ze over O.L.V.-Tielt richting Aarschot en vochten in Lier en in Berchem.
Hij nam met zijn groep ook deel aan de Tiendaagse Veldtocht en vocht bij Leuven; Jan van Goidsenhoven kreeg op 5 april 1835 het “ Croix de fer nr 1529 “van Leopold I, Roi des Belges, (compleet in het Frans!) en een pensioen van 400 BEF per jaar voor hem, zijn vader en twee van zijn zonen.
Op 19 augustus 1914 werden, na een treffen van een Belgische achterwacht op ‘t Hoeksken te Attenrode met Duitse Uhlanen, twee Belgen en tien Ulanen gedood. Zes burgers werden daarna gedood en 17 huizen in brand gestoken.
In 1944 vielen twee V1-bommen te Wever. Op 11 augustus werden twee burgers uit Attenrode opgepakt tijdens de Duitse represaillerazzia te Meensel. Ze stierven in concentratiekampen: August Vanhellemont in Swesing (3.10.1944) en Justin Bollen te Wolfenbuttel. Ook August Vandenberg werd later opgepakt en stierf te Elrich. Een herinneringszuil met foto staat voor de kerk van Attenrode.
bron: Monografie, Glabbeek


